Jan en Dora Stam
- Jan (89) en Dora (85) Stam
- Rembrandtstraat
- Wonen hier sinds: 1965
- van 1965 tot 2021: eigenaars melkwinkel Rembrandtstraat
”“Vroeger wist je alles van elkaar”
Ruim 35 jaar bestierden Jan en Dora Stam hun melkwinkel aan de Rembrandtstraat. Begonnen in 1965 en gestopt op 31 december 2001, op het moment van de invoering van de euro. “Dat omrekenen van guldens naar euro’s wilde ik niet meer meemaken, bovendien was ik toch al 65 geworden” vertelt Jan (89). Gedurende al die jaren fungeerde het echtpaar als sociaal bindmiddel in de wijk: Jan tot het laatst met melk langs de deuren, Dora (nu 85) in de winkel, op de hoek van de Van der Helststraat.
Het was voor een boerenzoon met een te klein erfdeel geen onlogische stap om de melkhandel in te gaan. Dat gold ook voor Jan, die bedrijfsleider was op de familieboerderij bij Stompetoren, minus het deel dat naar zijn oudste broer was gegaan. Toen hij op een dansavond verkering kreeg met Dora, besefte hij dat dat onvoldoende inkomsten bood voor een toekomstig gezin. Hij zocht en vond na een paar jaar een melkwijk met woning: de winkel, dat wil zeggen de goodwill, kocht hij, de woning konden ze huren. Na tien jaar konden ze het kopen. Ze wonen er nu nog. De voorste helft van wat nu de woonkamer is, vormde tot 25 jaar geleden de winkel. In de achtertuin stonden de koeling en de opslag.
“In die tijd waren er alleen al in de Rembrandtstraat nog vijf winkels”, herinnert Jan zich: “Er waren een bakker, een slager, een kapper en een slijterij. Geen groenteboer, maar die kwam hier wel langs de deuren.”
Het venten was toen nog heel gebruikelijk. De wijken werden door de melkhandelsvereniging verkocht en je moest er als zelfstandige allerlei vergunningen voor hebben. Jan had de benodigde diploma’s behaald tijdens de stille wintermaanden op de boerderij, en kreeg eerst een deel van het Rembrandtkwartier toegewezen en dat breidde zich gestaag uit omdat omliggende melkboeren er in de loop van de jaren mee stopten en hun wijk aan hem overdeden. “Het waren natuurlijk concurrenten, maar ook collega’s. We hebben nog steeds contact,” vertelt Jan. Hij denkt nog met plezier terug aan zijn eerste overname, de Bergerhof. “Dat was een volksbuurt waar ik erg werd gewaardeerd.”
Over gebrek aan klandizie hadden ze niet te klagen. Ook na de komst van het winkelcentrum aan het Hoefplan bleef hun zaak goed draaien. “We verkochten niet alleen zuivel, maar ook alle andere levensmiddelen,” zegt Dora. “en het was een enorm drukke tijd. Er was niet zoiets als zwangerschapsverlof. We kregen, met behoorlijke tussenpozen, vier kinderen, drie zoons en een dochter en ik stond steeds tien dagen na de bevalling alweer in de winkel, met de jonge kinderen in de kamer vlak achter mij.”
Het waren lange dagen voor beiden, want de melk werd ’s nachts al geleverd en moest goed gekoeld worden rondgebracht bij de bedrijven die hij beleverde, zoals het GAK, het PEN en verscheidene scholen. “De melk mocht niet boven de zeven graden komen, dat werd goed gecontroleerd. Dus die moest echt ijskoud zijn als ik van huis ging want hij werd onderweg al gauw vijf graden warmer.”
Pas als de grote afnemers waren bediend, ging hij met zijn melk de huizen langs. Mensen die niet thuis waren zetten hun lege flessen in een rekje voor de deur, met een briefje met de bestelling. “Ik probeerde de verse melk zo veel mogelijk in de schaduw te zetten. Er was trouwens meestal wel iemand thuis.”
Jan maakte de overgang mee van flessen, naar pakken. “De meeste mensen vonden flessen fijner. Ik ook wel. Het gedoe met statiegeld hoorde erbij en de eerste generatie pakken lekte ook. Dat werd later pas beter.”
Het contact met de klanten was voor beiden de ziel van het werk. Jan kreeg, misschien juist omdat hij neutraal was, van heel veel bewoners het lief en leed mee. “Daar praatte je niet over met anderen:” Je zou dat bijna als beroepsgeheim kunnen zien. En ook Dora hoorde in de winkel veel verhalen. “Dat is nu toch echt anders dan vroeger,” vindt ze. “Vroeger wist je alles van elkaar. Je wist van sterfgevallen, of als er een kindje op komst was. Nu zie je alleen maar ergens een vlag hangen.”
Geleidelijk verdwenen de winkels uit het Rembrandtkwartier. De bakker hield het nog het langste vol, maar ten slotte trok het winkelcentrum alle klandizie uit de wijk. Ook Jan zag het einde van zijn nering naderen, tegelijk met zijn pensioenleeftijd. De invoering van de euro, die hij, zoals toen nog de bedoeling was, maandenlang parallel aan de gulden zou moeten hanteren gaf de doorslag. Hij besloot de zaak op 31 december op te heffen.
“Mensen bleven me maar vragen “Wanneer stop je nou precies” en ik noemde altijd de 31e. Dat was natuurlijk een gekke dag, mijn laatste melkronde na 35 jaar. Maar ik had nooit verwacht dat er aan het eind van de rit een compleet fanfare-orkest op me stond te wachten, met toespraken, cadeaus en een prachtig boek vol herinneringen van buurtbewoners. Ik had nooit beseft hoeveel ik voor de buurt betekende, dat maakte grote indruk op me. Ook de Bergerhof nam feestelijk afscheid van me met een draaiorgel en een bijeenkomst in het buurthuis. Die hadden groot respect voor me omdat ik daar ventte.”
Ze missen nog steeds de gesprekken met de vele klanten die ze hadden, maar Jan en Dora zijn na die dag niet in een zwart gat gevallen. Dora was tot aan de coronacrisis vrijwilliger in het bejaardenhuis De Vleugels, nu Hoeverstate, tegenover het winkelcentrum, waar ze eens in de week met de bewoners samen kookte. Jan huurde een volkstuin omdat hij houdt van de natuur. En hij werkte nog vijf jaar door als bemonsteraar van melk op de boerderijen in de omgeving: “Het was heel bijzonder om weer terug te komen op de boerderijen, waar in die 35 jaar zoveel veranderd is en waar ik me toch meteen weer thuis voelde. Het zijn toch mijn wortels.”
Fotografie door buurtgenoot Marcel Witte en beelden uit foto-albums van meneer en mevrouw Stam.
